Ondanks de vorst aan de grond komt nu toch echt de lente door. De deuren van de lokale ijssalon zijn weer geopend en elk scheutje zon rechtvaardigt een bolletje.

Ik heb het niet zo op reclame noch op de natuur, maar laatst werd mijn oor getrokken door een TV spotje van Natuurmonumenten. Een boswachter-acteur in het wild nam mij mee naar het voorjaarsgevoel van de specht. Met zijn harde getokketokketok laat de, naar ik nu weet, mannetjesspecht elke lente van zich horen.

Ook bij het herkennen van vogels helpen ezelsbruggetjes. De vrouwelijke specht reageert op de hamerslagen van haar man als een huilende vrouw, zo leerde ik van de reclame. Het is toch jammer dat niet alleen in het menselijk ras de vrouwtjes de jankerds zijn.

Zo’n tien jaar geleden trok ik met toenmalig collega en goede vriend P. door voormalig Joegoslavië. Hij was gestationeerd in Belgrado. Hier was het brein van de Joegoslavie oorlog vandaan gekomen. Het thuisland van de foute Serviërs Milosevic en Karadzic. We gingen naar de opera, liepen hard door parken in de stad en dronken drankjes in hippe tenten. En toch zag ik dat de oorlog ook hier onschuldige burgers getroffen had. Gebouwen vol gaten, een zwaar beschadigde TV toren van waaruit nooit meer uitgezonden kon worden. Hoe fout kon deze vriendelijke stad zijn geweest?

Ik vroeg het me af, tot ik in Sarajevo aankwam. Het Europese Jeruzalem was verdeeld tot op het bot tussen alle religies, kapotgeschoten tot in de kern, de geluiden van opnieuw scherpschutters uit de bergen deden mijn evenwichtsorganen wankelen. Nu wist ik het. In Belgrado waren ze fout, en hier was het echte leed, het echte verdriet. Als een acne huid die nooit meer echt egaal wordt zou ook Sarajevo niet kunnen helen.

Na Sarajevo reden we door naar Kosovo. We kwamen de zwaar bewaakte patrouille alleen door dank zij ons diplomaten paspoort. De beklemming was overal voelbaar. Geen stap buiten de deur kon er gezet worden zonder beveiliging, tegen zonsondergang moest iedereen binnen zijn. Voor de VN, de Albanezen en de Serviers was het hel op aarde.

Het is als voor het eerst een impala hertje in een natuurreservaat zien. Zo lief, leuk en zacht. Driekwart in de safari komen de impala’s je de strot uit en snak je naar wat indrukwekkendere dieren. Wanneer uiteindelijk je geduld wordt beloond met een nest jonge leeuwtjes ben je bereid ze eigenhandig impala te voeren. Daar zijn er toch genoeg van. Voor wie ben je en wie is er voor jou? Kosovo was echt erger dan Sarajevo. En in Belgrado moesten ze niet zeuren.

En passant deden we Mostar aan, een verscheurde stad door een gescheurde brug en reden we langs talloze onbekende plaatsen vol onbekende gevallenen. Ik zag alleen nog maar de ellende en vroeg mij af hoe hier ooit nog de zon zou schijnen. Ik voelde het voorjaar niet en hoorde het al helemaal niet. In tegenstelling tot mijn reisgenoot P.

P. was ornitholoog. Maar dat ontdekte ik pas in de auto. Op elk willekeurig moment dat een in zijn oren bijzondere vogel zich aandiende, rukte hij aan de handrem, sprong met verrekijker uit de auto en volgde het voor mij onzichtbare beest met zijn ogen en oren.

Hij probeerde mij te interesseren voor zijn hobby. Hij leerde mij dat er een vogelsoort is die goed gedijt in een vervallen omgeving. In een land als voormalig Joegoslavië. Sinds die week ruim 10 jaar geleden denk ik elke keer als ik in het voorjaar lang de ijssalon rijd aan de Joegoslavië oorlog. Vraag ik mij af hoe het daar nu is, en of ze er nog fluiten. Want het ezelsbruggetje voor de roep van de geelgors ben ik nooit meer vergeten: mama, mama, ik wil een ij-ij-ij-ijsje!