Hoewel ik aardig wat colles achter mijn naam heb staan, ben ik geen fietser. Einde relatie was synoniem voor einde fietsvakanties. Bizar hoe je je kunt verliezen in de hobby’s van de ander, om jezelf daarna weer terug te vinden.

Vandaag ben ik met de auto op weg naar een workshop in een dorp. En dorp staat synoniem voor recreatief fietsen. Dat vele gradaties kent. Van de genieten-van-de-natuur-fietser, tot de je-lekker-een-bever-buitenmens-voelen-mountainbiker, tot de wind-door-je-kop-in-het-roze-wielrenner, tot de handig-in-de-trein-ik-neem-nog-even-wat-extra-ruimte-in-vouwfietser, tot de ik-heb-er-de-kracht-niet-voor-dus-smokkel-elektrische biker. Ik ben geen fan van allen. Vind ze in de regel onfatsoenlijk. Trottoir en fietspad overnemend, overdreven bellend, te laat of juist veel te vroeg, geen grip op eigen snelheid of opspattende modder. 
Net op het moment dat ik met mijn auto rechtsaf wil slaan richting eindbestemming, hoor ik een gil. En alleen maar omdat ik met open dak rijd. “Hé K*t! Kijk es uit oe doppe!” Onmiskenbaar Brabants. Alleen, waar komt het vandaan?
Ik steek mijn hoofd door het dak en voorwaar, daar ligt ze. In een onflatteuze houding, boze blik in de ogen, de mond vertrokken. Dat ziet er verschrikkelijk uit. 
Ik start de auto opnieuw en rij er met een grote boog omheen. Alle categorieën recreatie fietsers zijn erg, maar de ik ben gezond aerodynamisch en oh zo flexibele (NOT!!!!) ligfiets spant de kroon. Verschrikkelijk.