Ik zit naast een staarder. Een staarder met een bril op, oortjes in. Een staarder met kleine priemende oogjes. En hij staart. Afwisselend naar buiten- keep doing that- en naar mij- stop doing that!

Heb ik iets raars aan? Mijn Mary Poppins vliegjas met losse armflappen die waaien in de wind, vooruit. Maar wie kijkt daar nog van op in dit gescheurde spijkerbroeken, gezichtspiercings en Michael Kors tassen eenheidsworsten tijdperk? Bovendien waait het niet in de trein en gedraagt mijn jas zich als een normaal stuk textiel.
Hij kijkt weer. En weer. 
Wat kan ik doen? Terugkijken, wegkijken, uitkijken? 
Het hart klopt, de vuist is gebald, de lippen samengeperst. Ik heb niet voor niets mijn reisgympen aan, ik heb niet voor niets een jaar bokstraining gedaan. Kom maar op. Zei ze met een trillend stemmetje in haar hoofd. 
Hij kijkt opnieuw. Staat dan op. 
Oh God, komt hij naast me zitten? 
“Station Boxtel” klinkt het door de boxen. Hij knikt naar me terwijl hij de coupe uit loopt. 
Ik zal nooit weten wat hij zag in mij.