Wanneer ik er een hoor, probeer ik me er een fysieke voorstelling van te maken. Misschien komt het door te veel reclame kijken, waarin ter verduidelijking fluim en bacillen getoond worden als venijnige rode pacmannetjes die door je luchtwegen klauwen.

In de trein zijn ze niet te missen. De hoesters. Niet het schaapachtige kuchje, maar de roker met najaarsgriep die verzuimd heeft te verzuimen. Je voelt hoe de hoest van heel diep van binnen komt, hoe het net wat natte slijm onderweg alles op schraapt wat hij vinden kan, de toon ontwikkelt zich, er komt iets ronds bij, als een golf die onderweg plankton verzamelt en en passant een school kleine vissen meeneemt. Een voor een rollen ze de mond uit in een donkere, brokkerige toon.

Heerlijk klinkt het. Vooral de hoesten die zich laten afronden. Als luisteraar zou ik zo’n hoest willen hoesten. Zo’n voldane hoest, eenmaal eruit en we kunnen door met ons leven hoest. Als het hoge woord in een ruzie. Alles verzameld, we zijn weer clean.

Ik zal zo’n hoest nooit hebben. Ik rook niet. En ik weet dat als ik griep, ik het type hoest heb wat je niet wilt hebben. De keelhanger, de net niet doorzetter. Vandaag zit ik tegenover de rokergriephoester. Bij de aanblik gok ik sigaar en shag. Een killer combinatie. Ik genoot van zijn toon. Ik wens hem alle gezondheid morgen weer.