Natuurlijk gaat het dit seizoen in de trein over vakanties. Ik hoor hoe de weken worden afgeteld. “Nog twee en dan zitten we er. Hoe lang moet jij nog? Ik kan niet wachten.” Zonder ze te horen weet ik dat ze er zijn. En zelfs als ze uitgesproken worden, luister ik er niet meer naar. Elk jaar zijn ze gelijk. Ik net zo erg als de rest. 

Maar het viertje achter me spant een kroon die zelfs groot zou zijn voor onze koningin.  Ik kan haar blikken of  blozen niet zien, maar ik gok dat ze geen spier vertrekt. “Vorig jaar heb ik dat niet meegemaakt. Toen had ik zeven weken vakantie. Dit jaar ga ik het ook niet zien. Ik ben straks weer zeven weken weg.”
Ik val echt van mijn coupe stoel. Drie vind ik lekker. Vier vind ik ruim, vijf serieus veel, zes bizar maar zeven? Sorry. Dan heb je geen baan. Als je zeven weken weg kunt zijn, heb je geen baan. Dan doe je aan bezigheidstherapie.
Ze bevestigt mijn vermoeden met de rest van het gesprek. Onderwerp: taart. Je bent wat je zegt. Een taart is het. “Tortilla, daar maak ik de laatste tijd nogal eens wat mee. Nee dat is helemaal niet met blader deeg. Ui en knoflook. Aardappels kun je koken. En niet koken. Heel of in stukjes. Soms doe ik het een.” 
Laat me raden. Soms het ander??
Deze vrouw heeft niet alleen geen baan, ze heeft ook nog eens geen leven. 
Ik ben toe aan vakantie. Haar vakantie.